vrijdag 19 april 2013

Selwin Heijkoop ging met Janneke op pad - de oude grammafoon platenspeler

Bekijk hier het filmpje van Selwin





Bij de oudste grammofoons werd het geluid mechanisch versterkt. Het geluid klonk uit een hoorn die soms in de kast was ingebouwd (met deurtjes ervoor om de geluidssterkte te regelen). Een klassieke uitvoering is de grammofoon waarvan de hoorn boven het opneemelement is gebouwd.

 

 





Emile Berliner vond de grammofoonplaat uit. De fonograafrol verving hij door een platte plaat met groeven in spiraalvorm, zodat de geluidsgolven niet meer verticaal maar horizontaal in het zogenoemde Berlinerschrift werden geregistreerd. Hij gebruikte bij de opname een glasplaat voorzien van een laagje roet. Hiervan wordt een metalen kopie gemaakt, waarover de naald van de weergever loopt. Deze naaldweergever zit aan een arm met daaraan als versterker een grote hoorn voor de geluidsweergave. Tevens vond hij later geschikter materiaal voor de platen, namelijk een met was bedekte zinkplaat. Zo ontstond de grammofoonplaat zoals wij hem nu nog kennen.




De naald bevindt zich aan het einde van de naalddrager (ook wel cantilever genoemd). De oorspronkelijke platenspelers hebben een metalen naald. Deze grammofoons spelen platen af met brede groeven op een snelheid van 78 toeren. De uitslagen van de naald worden mechanisch versterkt en hoorbaar gemaakt. De naald slijt snel en moet na elke plaat worden vervangen.


Later werden de bewegingen van de naald elektronisch versterkt. De naalddruk kon nu veel minder worden en de naald werd van saffier of diamant gemaakt. Doordat diamant harder is dan saffier, gaan diamanten naalden veel langer mee (ongeveer 2000 speeluur), en is daardoor beter voor de plaat, omdat de plaat minder vaak met een bijna versleten naald wordt afgespeeld. Het hele element werd vervangbaar.



De bakelieten platen Het probleem van de bakelieten platen ten opzichte van het later gangbare vinyl was dat zij erg breekbaar waren  als je een plaat liet vallen, brak die gemakkelijk in stukken. Als er door een ongelukje alleen maar een barst in de plaat was ontstaan, bleef het mogelijk om deze af te spelen, maar dan met de bekende "tik" door het geluid. Tevens kwam het voor dat de naald bleef hangen op een bepaald punt, waardoor een bepaalde passage steeds werd herhaald.

Waarom heb ik dit onderwerp gekozen?
Ik heb dit onderwerp gekozen omdat ik het een mooi en interessant historisch voorwerp vind, en omdat mijn opa er een thuis heeft was het makkelijk om er iets over te vertellen en te laten zien ik zelfs nog wat muziek kunnen laten horen


 

 

 

maandag 8 april 2013

Kjel van Wijk ging met Janneke op pad - de mijnboor

Bekijk hier het filmpje van Kjel





De mijnboor



De mijnen bestonden vroeger uit veel tunnels diep onder de grond. Aan de randen van die tunnels waren een soort gaten waar steenkool uit werd gewonnen. Ze waren soms meters diep. 
Als men in de mijn werkte, had men een machine nodig om de steenkool los te maken en in kleinere stukken te hakken. Eerst gebruikte men een pikhouweel om de steenkool al een beetje losser te maken. Daarna gebruikte men de mijnboor. Het was een erg zwaar ding, zo’n 7 tot 8 kilo. Het was erg moeilijk om met de boor te werken, want het was donker in de mijn, de boor was erg zwaar en je moest vaker op je rug of buik in een heel smal gat gaan liggen om de steenkool los te halen. 



Als men de steenkool eenmaal los had, werd de steenkool besproeid met water. Zo gaf de steenkool minder stof af. Daarna werd de steenkool op een transportband gegooid die de steenkool naar de kolenwagens bracht. Zo werd de steenkool naar boven vervoerd.





Het werk was gevaarlijk. Als men de steenkool los had kon er wel eens gas ontsnappen dat tussen de steenkool zat.  Daarom hadden de mijnwerkers vaker een vogeltje bij zich. Als dat vogeltje dood ging hing er te veel gas in de lucht. Dat gas was soms dodelijk. Als er maar een vonkje vuur bij kwam, ontplofte de boel.